Ingeborg

Tekstschrijver. Twee zoons, twee dochters, twee honden, twee poezen en één man!

Homepage: http://www.ipscript.nl


Berichten door Ingeborg

Gek, maar zonder gillen

Uiteindelijk gaat het allemaal natuurlijk allerbarstens mooi worden, maar voorlopig is het een puinhoop: wij zitten middenin een verbouwing. De werklui lopen af en aan, en zelfs als ze er niet zijn, ben je er druk mee. Want waar blijven ze?? Maar weer een telefoontje, een mailtje, een SMS’je. Vandaag stond de electriciën op het programma. Geweldige vakman, aardige vent. Maar om 8 uur was er geen spoor van hem te bekennen. Terwijl ik me een slag in de rondte had gewerkt om stipt op tijd thuis en toonbaar te zijn. Extra vroege wandeling met de honden, make-up al op de kop vóór de verfrummeling – die slaat nu eenmaal in hoge mate en steeds langduriger toe bij het klimmen der jaren – was weggetrokken. Maar geen electriciën. Om kwart voor negen reed hij de oprit op, beetje vertraagd door het winterweer. Logisch, maar voor mij na al die weken in een bouwput bijna niet meer te verdragen. Heb het weggelachen. Natuurlijk. Wat moet je anders?

De man was er de hele dag. En met resultaat: toen hij na uren noeste arbeid vertrok, was ik totaal gevloerd. Van het aan veren trekken, kopjes koffie aandragen, keuzes maken. Terwijl ik gewoon wilde en moest werken. Heel praktisch, zo’n kantoor aan huis.

Vanavond aten we dus geen knollen, die waren op. Wel doperwtjes. Een eenvoudige dis, maar voor mij eigenlijk opnieuw te veel van het goede. Als voorafje en helaas ook als dessert mocht ik onze zoon helpen bij het studeren voor een proefwerk wiskunde. En vóór ik daarmee klaar was, stonden twee andere kinderen naast me: ‘Gaan we zo naar de sportschool?’. En soms blijk ik dan toch intelligent: nee, we gaan niet naar de sportschool. We slaan een keertje over. Maar als je denkt dat je daarmee tijd wint, zit je ernaast. Faliekant. Want daar was Albert.nl, met de boodschappen. Extra veel, in verband met de Sinterklaaslunch die we voor 11 man organiseren. Wordt handig gebracht, maar mag je wel allemaal zelf uitpakken en inruimen.

Inmiddels ben ik zo gek als een karrad. Ik verwerk die status in stilte, wil er niet te veel ruchtbaarheid aan geven. Mijn poging is niet helemaal geslaagd: ik loop rond met een hoofd als een oorwurm. Mijn humeur past bij m’n uitstraling. Helaas …

En er gloort nog geen licht aan de horizon. Morgenavond moet de hele benedenverdieping leeggeruimd worden, zodat de vloerenmannen de hele donderdag en de hele vrijdag (zucht) hun gang kunnen gaan. Heeft iemand nog wat tranquillizers te leen? Doe maar een hele doos!

Fallusbrood: lekker voor de feestdagen!

Vandaag hebben we kennis gemaakt met Fallusbrood. In de volksmond ook wel piemelmik of lullewegge genoemd. Niet erg geschikt voor consumptie, al is het maar omdat de look & feel niet bepaald uitnodigend is.

Voor wie toch trek krijgt bij het zien van deze creatieve braakbal:

Zet uw hond op dieet; een hongerige maag maakt inventief en onbeschaamd.

Vervolgens kiest u een kind uit uw collectie, wij kozen Bart. De nakomeling in kwestie moet wel hardleers, laks en vergeetachtig zijn. Deze telg vergeet per ongeluk expres voor de zoveelste keer een brood naar keuze op te ruimen; het blijft liggen op het aanrecht.

Nu kunt u gaan slapen, de bereidingswijze van Fallusbrood is namelijk nauwelijks arbeidsintensief te noemen. In de nachtelijke uren grijpt de hongerige hond zijn kans: hij bestormt het aanrecht. Dit zal mogelijk wat moeite kosten, maar de aanhouder wint: hij maait en harkt met zijn poten over het aanrechtblad en weet uiteindelijk de broodzak te bemachtigen. Hij sleept de prooi naar zijn mand, knaagt de zak open en valt aan. Nomnom, noemen we dat tegenwoordig. In lekentaal: hij vreet de complete zak leegt, laat een gelukzalige boer ontsnappen en legt zich te ruste.

Het metaboolsysteem zet zich in werking tegen de tijd dat u uw bed verlaat. Betracht wat geduld, we zijn halverwege.

Een aantal uren later ruikt u vanzelf dat het brood bijna klaar is: kwalijke dampen stijgen op uit de aars van uw huisdier.

Nu is de tijd gekomen vast een krantje klaar te leggen. Niet dat uw hond hiervan gebruik zal maken, maar dan heeft u toch het gevoel ook een actieve bijdrage te hebben geleverd aan het eindproduct.

Halverwege de middag hoort u dan de wekker. Geen gezellig plingetje, maar een kokhalzende ulk die aankondigt dat de anti-peristaltische bewegingen hun aanvang hebben genomen.

Geef de hond de tijd en rust om het Fallusbrood creatief vorm te geven (voor de goede orde: het brood verlaat de hond via de bovenkant!).

En zie daar: piemelmik, lullewegge of – passend bij deze feestelijke eindejaarstijd – Fallusbrood. Bon appetit!

Met dank aan Bart (aangever), Moos (productie en enscenering) en Ben (fotografie)

Een oude liefde die ietwat roestig is

Drie, vier keer per jaar zit ik in de Boemel. Een klein, bruin cafeetje in Winterswijk. Ik ben daar opgegroeid, in dat kroegje. Op m’n 13e zette ik de eerste voet over de drempel. Uitbaters Wim en Rietje werden niet erg rijk van mijn komst – ik teerde een hele avond op een verse jus en nam af en toe, bij wijze van hoge uitzondering, een bord frietjes. Nooit meer zulke lekkere patatjes gehad.

Na Wim en Rietje kwam Herbert. Hij dreef de kroeg een behoorlijk aantal jaren, zag hoe ik mijn eerste  liefde verloor, leerde me met toewijding drinken: mixdrankje na mixdrankje schoof ik na een sipje rillend ter zijde tot ik ‘om’ ging bij de Tiola: cola met Tia Maria. Onder Herberts bewind ontmoette ik mijn lief, aan de bar in m’n ‘huiskamer’. Herbert overleed veel te jong aan longkanker, Tiola drink ik sindsdien niet meer.

Toen kwam Nannie. Zij wist niet dat ik eigenlijk bij het meubilair hoorde; toen ik in 1982 bij de Boemel over de drempel stapte, was ze nog een eitje. En ik kwam sinds haar aantreden nog maar weinig, omdat de studie me naar Nijmegen had afgevoerd, met medeneming van de prins op het witte paard. Nannie kwam, zag en vertrok. Nu drijft Pascal de kroeg. Ook weer een half leven jonger dan ik, in dezelfde onwetendheid als zijn voorgangster.

Maar laatst zat ik er weer. Met twee vriendinnen die over 50 jaar, als we alledrie in verregaande staat van dementie verkeren, net als ik nog twinkeloogjes krijgen als het woord ‘Boemel’ valt. Dan Alzheimeren we weg op de herinneringen aan de muziekavonden, het frühshoppen vóór het Volksfeest, de lange nachten met onze vrienden van ooit. De liefdes die we opduikelden en uit het oog verloren. Ik zal meer herinneringen hebben, omdat ik melancholischer van aard ben dan zij: ik nam ook mijn kinderen mee naar mijn kroegje, plantte ze aan de bar, wees ze de op de borden en foto’s aan de muur – die hangen er al sinds mensenheugenis.

Nog twee jaar en ik kan drie decennia Boemelgang op m’n naam schrijven. Ik hoop dat de kroeg het haalt: de klandizie is minder dan in mijn tijd, de voorgevel oogt beduimeld. Maar ik zie het niet: ik zie alleen wat een hoogbejaarde aan het eind van een gelukkig huwelijk ziet als ze haar lief aankijkt: dat wat er ooit was en wat nooit helemaal kan worden weggevreten door de tand des tijds.

Kind, mag ik een snoepje?

Ik mag graag snoepen. Vreselijke uitdrukking, maar het klinkt wat prettiger dan: ik ben een vreetzak. En een probleem komt nooit alleen: ik kan dus ook geen maat houden. Dit is een afschuwelijke combinatie van factoren. Het risico bestaat dat de mens die hieraan lijdt binnen afzienbare tijd volkomen dichtgroeit en alleen nog met perslucht door deuropeningen geblazen kan worden. Of zich rollend van A naar B moet begeven. Ik vind dat geen prettige gedachte.

Helaas zit deze aanleg op een dominant gen: ik heb vier kinderen die met dezelfde kwaal behept zijn. Nu is een dikke moeder tot daar aan toe, een dik kind is erger. Zeker als het een puberkind betreft. In die periode van je leven twijfel je aan alles; onder die omstandigheden is een gigantisch lijf geen boost voor je ego.

De oplossing leek eenvoudig, maar was dat natuurlijk niet. Moeder koopt geen snoep meer. Wat er niet is, kun je ook niet opeten. Wat er niet is, kun je echter wel kópen. En dat doen m’n bloedjes dus. Als roofdieren die zich voorbereiden op de winterslaap slepen ze zakkenvol met snoep naar hun kamers. Waar ik me vervolgens – ik heb niet bepaald een ijzeren ruggengraat – bedremmeld meld: ‘Kind, heb je nog een snoepje voor me?’ Wel lekker goedkoop zo. Voor mij.

Uiterlijk: geen bezwaar

Ik ben vergroeid met mijn auto. Mijn kont daalt dan ook maar twee keer per jaar neer op de fiets, en nog wel op één dag. De eerste keer als ik de auto heb weggebracht voor een beurt. Omdat ik dan wel graag weer naar huis wil. De tweede keer als ik hem aan het eind van de dag mag ophalen. Deze  sessies gaan gepaard met veel intern gezucht en gesteun: ik lijd in stilte om te voorkomen dat mijn lief – een doorgewinterde en doorgezomerde fietser – de taak ruimhartig op zich neemt. Gisteren hebben we echter familiebreed geleden.

Twee uur na mijn sportieve inspanning ging de telefoon. “Met de meneer van de garage.” De beste man deed zo krampachtig z’n best om zijn kwalijke boodschap voorzichtig in te leiden, dat ik al voor hij tot de kern van de zaak wist te komen lichamelijk onwelbevinden voelde opkomen. Negentienhonderdvijftig euro! Negentienhonderdvijftig! En dat is zeker niet de eerste keer. Als we optellen wat die auto al gekost heeft … Dat doen we dus niet, te pijnlijk. Maar ook zonder rekenen, weten we dat de grens is bereikt.

Vorig jaar stond onze Opel al op de nominatie de vergetelheid ingeschoten te worden, maar kozen we voor een nieuwe keuken. Die is prachtig. En betaald. Nu ontkomen we er dus niet meer aan; de badkamerrenovatie gaat de ijskast in en ons gedroomde hangtoilet blijft voorlopig onder de hoede van de nog niet benaderde leverancier. De Nijmeegse middenstand verwerkt nu in totale onwetendheid een financiële tegenvaller van je welste. En wij ook, maar dan met volledige kennis van zaken.

Mijn enige band met gemotoriseerd blik is het gemak ervan. Concreter: het gemak van ‘niet hoeven fietsen’. Voor mij geen state of the art model, het toerental zal me een worst zijn. Net als de maximumsnelheid die ermee te behalen valt. De kleur, daar heb ik nog wel wat mee. Maar niet als dat ‘extra kost’.

Vandaag doen we nog wat aan wondenlikkerij en morgen gaan we zoeken. Onze enige eis: motorisch oké. Uiterlijk: geen bezwaar. We zien ernaaruit!

Ik heb een toplijf!

Mijn lijf is fenomenaal. Mijn lijf is mijn grootste vriend. Ik ben heeel blij met mijn lijf!

Veertig jaar lang heeft mijn lichaam genoten van een diepe, diepe winterslaap. De spijsvertering functioneerde, en de spier in mijn rechterenkel. Meer vroeg ik niet: laat mij eten en laat mij gas geven. Vlak voor m’n 40e verjaardag schrok mijn hersenpan wakker: moest er niet eens iets gebeuren aan de zich ophopende vetten? Zou het wellicht verstandig zijn om een paar kwalijke eigenschappen overboord te gooien? Zoals daar zijn: overmatige en bovendien ongezonde vreterij? En ook de totale lethargie maar eens doorbreken? Als ik de factoren ‘overgewicht’ en ‘onbeweeglijkheid’ zou opheffen, kon ik met iets minder schuldgevoel in ieder geval mijn bestaan als roker nog even voortzetten. Zo was de gedachte.

Laat ik vooropstellen dat ik geen enkel vertrouwen had in deze exercitie. Wie van zoet- en kunstmatige kleur- en smaakstoffen houdt, komt daar never nooit vanaf. En wie grossiert in bankhangen en zelfs de enorme afstand naar de winkel – we hebben het toch over zo’n 300 meter – nog met de auto overbrugt, is feitelijk reddeloos verloren.

En dan blijk je jezelf ineens te verbazen. In hoge mate. Ik begon, hield vol en moest na enige tijd zelfs kiezen voor een andere sportschool. Om nóg beter aan m’n sportieve trekken te komen. En dus stap ik drie dagen in de week in de auto – fietsen: dat gaat ‘m echt niet worden – om mezelf anderhalf uur lang te kastijden. Lijf, leden en brein varen er wel bij. We hebben het goed samen.

Ik ben niet veranderd in een fotomodel, m’n benen zijn ook niet ineens een stuk langer en m’n kont: die is nog steeds ‘pront’ te noemen. De enige sectie die wat mij betreft pront had mogen blijven – de buuste, dan wel ‘het hout’ – is naar de Noorderzon verdwenen. Wat deze sectie daar zoekt, is me een raadsel: ik ben anti-topless. Anyway … al met al ben ik erop vooruitgegaan. Maar de lofzang waar ik mee begon, heeft met andere factoren te maken.

De zulke: deze week heb ik ernstig verzaakt, geabstineerd, er met de pet naar gegooid. Geen stap in de sportschool gezet. Wel veel gevreten, terwijl ik dat eigenlijk verleerd ben. Enorme hoeveelheden stokbrood met geraspte witte chocola, Engelse drop, een overmatige hoeveelheid rookworst en zwartgeblakerde spekjes bij de boerenkool. En ga maar door. Noem iets, ik heb het ongetwijfeld tot me genomen. En het lijf heeft het niet gemerkt! Of m’n weegschaal is kapoet. Geen kilo, geen grammetje erbij. Ik weet niet waar de suikers en vetten hun heil hebben gezocht. Moeten we ook niet te diep over nadenken. Ik heb een toplijf!


Rampenoefening mondt uit in persoonlijk rampje

Ik was tien, toen ik voor het eerst het Radboud binnenliep. Plastische chirurgie moest me van een bungelend duimpje afhelpen. Een paar maanden daarvoor wilde ik een blikje kattenvoer openmaken – toen nog zonder handig lipje aan de deksel – en sneed ik een pees door. De huisarts was nog niet helemaal wakker – het was ook wel erg vroeg toen ik me bij hem meldde – en naaide alleen de enorme wond dicht. Zonder te controleren of het duimpje nog deed waar het voor aangenomen was. Toen duimemans een week of twee later uit het verband opdook, was het leed al geleden: duim deed niets meer. De plastisch chirug heeft na twee flinke operaties weer enig leven in het aanhangsel gebracht: ik kan de duim weer een stukske buigen en aangezien ik niet van borduren en ander priegelwerk houd, leef ik mijn leven gewoon door.

Na de duim volgde het paardengebit: daar kon een mens zich niet mee vertonen. Op naar Tandheelkunde. Had ik het daar ook eens gezien. Nou ja, ééns, de hele toestand duurde drie jaar: het was echt een ethetisch totaal onverantwoord kaakje met vulling. Staat inmiddels keurig recht.

Daarna wat jaren rust. Tot ik er een poliklinische baby wierp. Niet bij Tandheelkunde natuurlijk, voor alles is in het Radboud een tijd en een plaats.

Omdat er geen medische noodzaak voor bezoek aan de academische setting meer in het vooruitzicht lag, ben ik er gaan werken. Negen jaar lang, met ontzettend veel plezier. En alhoewel ik inmiddels geen echte Radboudiaan meer ben; ik kom er nog steeds. Als freelance tekstschrijver. En soms voor een rampenoefening. Heel soms: vandaag was m’n eerste. Ik had een zware taak: polsbandjes uitdelen aan de deelnemers. Vervolgens mocht ik twee uur uitrusten om daarna evaluatieformulieren uit te delen.

Een functie van niks, natuurlijk. Maar ik vond het gewéldig! Gewoon omdat ik vreselijk melancholiek ben: dat is mijn ziekenhuis en de mensen die ik mocht labellen zijn mijn mensen. Allemaal bekende gezichten, snel even bijbabbelen en de volgende een bandje om de pols doen.

Eigenlijk had ik me in de rusttijd nog voor moeten doen als huisarts. Als medicus die via via van de busramp – want dat was het – had gehoord en haar diensten aan kwam bieden. Durfde ik niet. Ongelooflijk, ben je 41 jaar oud en ben je te bescheten om een act op te voeren. Terwijl ik me in dat ziekenhuis bijna thuiser voel dan thuis. Heel, heel erg kinderachtig.

En zo eindigt een prachtig initiatief, waarvoor iedereen belangeloos in het holst van de ochtend uit z’n bed is komen rollen, voor één deelneemster in een piepklein persoonlijk rampje. Zie daar maar weer eens overheen te komen.

Lekker strak, met dank aan Chanel

Vis-ademhap-momentjes komen altijd onverwacht. Daar ontleent het moment ook z’n bestaansrecht aan. Zag je ze aankomen, dan zou je gezicht zich niet zo laten gaan: de onderkaak zakt langzaam naar beneden, je probeert dat te herstellen, de verbazing is te groot, en daar gaat die kaak weer. De ogen, ondertussen, worden wat glazig en puilend. Hap, hap, blub, blub. Ik had er laatst weer een.

Picture this: we bevinden ons in een grand-café. Daar babbelen twee vrouwen de middag weg. Kopjes thee, portie bitterballen, wijntje, babbel, babbel. De oudste van de twee moet de gezellige ambiance even laten voor wat die is om snel even ‘twee dingetjes’ te halen bij Douglas. “Zullen wel geurtjes zijn”, denkt de jongste.

Een minuutje of tien later komt de oudste terug met haar twee dingetjes. Opgeborgen in een tas, onzichtbaar voor de jongste. “Reinigingsmelk en tonic van Chanel”, barst de oudste ineens los. Vis-hap! Vis-hap! Ja, daar zit je dan: altijd willen weten aan wie Chanel die producten wist te slijten, blijk ik die mensen gewoon te kennen!

Totaal overvallen door deze tijding biecht ik op dat ik me behelp met de flesjes van het Kruidvat. Of – als een aanbiedinkje zich aandient – van Dove of Nivea. Die ruiken iets lekkerder. En als ik naar mijn vel kijk, doen ze precies hetzelfde.

Ik denk dat Chanel zich rotlacht om de euro’s die ‘de vrouw’ neertelt voor de smeersels, maar ik voel wat anders: een klein steekje jaloezie. En niet eens omdat ik het niet kan betalen, maar omdat mijn brein weigert zich te laten bedotten door de crèmpjesindustrie. Stiekem zou ik dat best willen, gewoon voor de chique.

Gelukkig is zo’n vis-ademhapmomentje dan wel weer heel goed voor je gezichtsspieren: houdt ze lekker strak. Gratis!


Doorrrr … de deurrr! Nu!

Door de bank genomen kan ik best met mezelf door één deur. Ook door twee, als de situatie daarom vraagt. Maar af en toe struikel ik over een in het gras verstopte adder. Dat is vermoeiend en wanhoopopwekkend. 

Meestal tackel ik de deuren in mijn leven vrijwel moeiteloos: nuchter en positief, enthousiast en soms wat naïef. Loopt altijd goed af. Nooit blauwe plekken die het dragen van een zonnebril aanbevelingswaardig maken. Ik heb eigenlijk alleen moeite met nieuwe deuren. Eerst draal ik een beetje rond om het schilderwerk en de breedte van de doorgang quasi onbevangen in ogenschouw te nemen. Dan neem ik wat afstand, misschien is die deur dan wat minder afschrikwekkend. Want dat is het gewoon: ik heb deurenangst.

Het vergroten van de afstand lost natuurlijk niets op: de deur blijft hetzelfde. Misschien zie ik hem iets minder goed, maar daar wordt het alleen maar erger van. Om van A naar B te komen, ontkom ik echt niet aan ‘de doorgang’, ik zal de stap moeten wagen. Eerst maar warm draaien, sur place. En de deur wacht geduldig. Dan licht door de knieën buigen, de ene voet iets voor de andere. Het gewicht op de voorste voet, bij voorkeur de linker. En go! Vlak voor de deur vol in de ankers, het gaat ‘m niet worden. Later nog maar eens proberen. En nog eens.

Het einde van het liedje is altijd hetzelfde. Iemand met een kritisch oog en weinig geduld doorziet mijn probleem: een faalangsterige constitutie is moeilijk te verbergen voor mensen die je goed kennen. En die krijgen daar bij tijd en wijlen flink tabak van. En geven dan de schop, waarop ik stiekem al hoopte en die ook hard nodig was.

Vanmiddag kreeg ik die trap van Maarten. Ooit was Maarten een boksemenneke van een jaar of tien. Hij zat bij mijn moeder in de klas. Voor mij was hij toen niet meer dan een naam met het etiket ‘intelligent’. De sticker ging een paar jaar later echter naar de middelbare school en kwam bij mij in de klas. Leuke vent, slimme vent, waardeloze chauffeur. Ik geloof dat hij na zes keer afrijden eindelijk z’n rijbewijs binnen had. Inmiddels zijn we twintig jaar verder en heeft Maarten ontelbare kilometers op z’n naam staan. Hij rijdt kris-kras door het land om presentaties en scholingen te verzorgen. Doet-ie goed, weet ik zeker. Vandaag was hij in Nijmegen, en ik ben altijd in Nijmegen. Een uitgelezen kans om zeiknat geregend bij de Vereeniging een lunch te doen.

In mijn onschuld dacht ik de afgelopen twintig jaar even in een notendop met elkaar te delen. Maar Maarten ging schoppen. Want behept met een kritisch oog en een ongeduldige natuur. Dat oh, oh, zal ik eens een boek schrijven-getwitter van mij had nu lang genoeg geduurd. Dr Maarten legde de vinger op de zere plek, deed wat invoelende en opbeurende uitspraken en haalde vervolgens genadeloos hard uit: kiezen, knopen doorhakken en jezelf verkopen. Meer niet: gewoon die deur door. Van A naar B. Want het ergste wat kan gebeuren, is dat de deur in je gezicht wordt dichtgegooid. En dan lik je je wonden. Gaan!

Oké … dankjewel … geloof ik. Ik ga!

De omwenteling

Het is druilweer. Eigenlijk hoor je nu met een volle koektrommel en een flinke pot thee in de hoek van je bank weg te kruipen, wachtend op de zomer. Helaas is de capaciteit van de endeldarmen van onze honden niet dermate, dat ze zo’n lange zit kunnen volbrengen. En dus liep ik vanmorgen beregenlaarsd over de paden en de lanen. Beetje tegen afgevallen blaadjes aantrappen, en laverend tussen de regendruppels door. Ter opluistering van dit half uurtje heb ik mijn iPhone bij me. Kan ik een beetje twitteren en m’n mail doorlezen. Maar de wereld is nog bijna volledig in ruste op de eerste dag van de wintertijd: nauwelijks tweets en welgeteld één mail. Ben je dus snel mee klaar.

Volledig teruggeworpen op mezelf moet ik dan de digitale eenzaamheid maar verdrijven met een levensbeschouwing. Het brein geeft daar zelf invulling aan en besluit het feestje van gisteravond als uitgangspunt te nemen. Rond acht uur stapte ik in de auto. Mét mijn lief, een unicum. Mijn prins op het witte paard is altijd makkelijk te traceren: hij is óf op z’n werk, óf inpandig. En als hij daar niet is, pendelt hij op z’n stalen ros tussen beide locaties. Op een feestje is hij nooit.

Gisteravond dus wel, want hij zit in een ‘veranderingsproces’: sociale contacten blijken na ruim 40 jaar toch een aanvulling op z’n leven te zijn. Ik weet alleen niet of ik blij ben met deze nieuwe insteek.

Járen en járen had ik nodig om me neer te leggen bij het feit dat ik me voor etentjes, kroegbezoek, feestjes en aanverwante activiteiten met mezelf moest behelpen. Dat ik nooit het zweet van de kop had lopen om toch alsjeblieft iemand te charteren die het aandurfde op onze vier kinderen te passen. Voor ik stopte met excuses verzinnen voor zijn afwezigheid, maar gewoon durfde te zeggen dat lief geen trek heeft in buitenshuis vertier. En nu zit ik ineens met een vent die zelfs overweegt een buurtfeest te organiseren!

Dit vergt een mentale ommezwaai die op zich al nauwelijks haalbaar is, maar er is een complicerende factor: ook ik zit in een veranderingsproces. Met het klimmen der jaren zijn mijn prioriteiten en interesses anders komen te liggen. En je voelt ‘m aankomen: lief en ik lopen opnieuw volledig uit de pas. Ik besloot een eigen bedrijf te beginnen en leg daar mijn hele ziel en zaligheid in. De kinderen wierpen hun luierbroekjes van zich af en stortten zich in de puberteit: een verádeming! En dus ben ik tegenwoordig óf op mijn werk (mijn eigen zolderkamer) óf ik zit te kletsen met een horde pubers die is neergestreken aan onze keukentafel. De keren dat ik me nog vrijwillig buiten het pand begeef, zijn op één hand te tellen. Ik ga op pad om interviews af te nemen of om diep in de nacht de taxichauffeur uit te hangen. Voorbij is al het gedraaf naar mensen die ‘best leuk’ zijn. Ik concentreer me op de toppertjes in mijn bestand.

En nu dus de revolte van mijn ega … Waar ik snoei, gaat hij voor bloei. Waar ik bankzit, ontkurkt hij flessen. Waar ik me koester in de schoot van de familie, trekt hij de wereld in. En het plan van aanpak dat ik ooit ontwikkelde – samenvattend: dan maar alleen – is niet toepasbaar. Ik ben namelijk de beste vriend van mijn lief. En moet dus mee. Zonder mij is er ‘natuurlijk’ niks aan. GEZOCHT: nieuwe beste vriend.