Blog

Alles faka met je bakka?

Mijn oudste is bijna 16 en dus min of meer onzichtbaar geworden. Zijn kamer is een bijna onneembaar fort: zijn vloerkleed bestaat bij nadere beschouwing uit zijn kledingkast. Lekker warm aan de voeten en bijzonder praktisch: bij het verrijzen – als het even kan ná het middaguur – werp je vanuit horizontale positie een blik over het tapijt en kiest je kloffie voor die dag. Veel handiger dan een keurig gesloten kast, waar je talmend en blauwbekkend staat. Tussen de kledingstukken liggen wat stepping stones: zijn schoolboeken. Dat is minder handig, zo leert de ervaring. Op cruciale ogenblikken kan hij natuurlijk net dat ene boek niet vinden, want onder welke trui of broek houdt het zich schuil? Op zijn bureau hoeft hij er niet naar te zoeken, dat dient namelijk als prullenbak en is derhalve ongeschikt voor het wegbergen van schoolmateriaal. We vinden daar wel talloze zakjes van weggevreten snoepsoorten, lege blikjes energy drank en wat bakjes met verschaalde etenswaren uit moeders keuken. De prullenbak zelf – voor de leek een logischer plek voor dit soort resten – is in onbruik geraakt. Die zit namelijk al maanden tjokvol en wacht lijdzaam, maar weinig hoopvol, op lediging. Ik hoop niet dat iemand of iets een rol voor mij weggelegd ziet in deze chaotische habitat. Ik kan het psychisch niet aan om zoons domein te betreden – want waar begin je?! – en word er bovendien niet eens toegelaten: de deur zit dicht, en op slot.

Doorgaans lopen Bart en ik elkaar mis: ons waak- en slaapritme sluit naadloos op elkaar aan. Maar is helaas tegenovergesteld qua ureninvulling: we lossen elkaar af. En dan wordt je dus onzichtbaar voor elkaar. Toch lopen we elkaar soms tegen het haastige lijf. Zoals net. In het voorbijgaan richt zoonlief zich kort tot z’n moeder: ‘Alles faka met je bakka?’.

Niet veel later zie ik op twitter dat mijn achteloze reactie ‘Prima, en met jou?’ precies goed was; punt gescoord.

Misschien moet ik m’n puriteinse inslag toch maar loslaten, ik heb aanleg voor taalontwikkeling. Nu nog achterhalen wát voor taal het was.

Gewoon een eitje en een zaadje

Mijn moeder is een verre van gemiddelde vrouw. Ze is 65, maar zo slank als een 18-jarige. Waar haar dochters kiezen voor luxe stapt zij iedere zomer op de fiets om drie weken lang – met een tentje achterop en haar 70-jarige zus naast zich – door Nederland en België te trekken. Ze digitaliseert bijna net zo snel als haar kleinkinderen. En weigert Engelstalige schrijvers in een Nederlandse vertaling te lezen. Toch zal haar voortplantingssysteem niet veel afwijken van de normale(re) vrouw. Dan komen we op een eitje of 400? En uitgerekend het ei waar de leukste zus van de wereld inzat, liet ze door mijn vader bevruchten. Exact 16 maanden na mijn geboorte plopte Angela in de wieg. Dat is vandaag 40 jaar geleden.

Op foto’s zie ik hoe peutertje Ingeborg haar zusje rondrijdt in een poppenwagentje: een kaalhoofdig baby’tje dat het zich allemaal rustig laat aanleunen. Ik herinner me hoe we samen een ochtend verhuilden bij de peuterspeelzaal. Mijn moeder dacht dat het wel goed voor ons zou zijn om ook eens met andere kinderen te spelen. Foutje: wij hadden elkaar en meer was niet nodig. Ik zie ons nog staan in het huis van opa en oma: al die mensen rond de eettafel, die drukte waar we steeds opnieuw – naast en met elkaar – aan moesten wennen. Spelend op de bergen zand in onze nieuwbouwwijk. Hoe ze door het ijs zakte in de beek achter ons huis. Het water was maar kniediep en toch zag ik haar voor m’n ogen verdrinken. Terwijl ik dat beeld nog van me afschudde, was zij allang in looppas op weg naar huis om in een lauw bad te stappen. Samen in de klas op het VWO, waar opnieuw bleek dat ik haar – ook op intellectueel vlak – niet kon bijbenen. Hoe ze me, net als m’n vader, telkens opnieuw hielp met wiskunde. Samen in de kroeg, waar we een avondlang teerden op één gezamenlijk glaasje verse jus.

En ik voel nog de wanhoop en de pijn om haar anorexia. Nog hoor ik haar ’s nachts naar de diepvries lopen om op een godvergeten uur bevroren brood te eten. Niet veel later trok ze keer na keer de wc door. Zij was – en is – mijn andere helft, en toch kon ik de woorden niet vinden om haar te helpen. We gingen studeren in Utrecht. Zij hongerde door en haalde ondertussen hoge cijfers op de universiteit. Ik vrat me vol en zag met lede ogen haar gedisciplineerdheid aan. Tot de koek – die ze toch al niet wilde eten – op was en ze haar studie biologie verruilde voor de PABO in Nijmegen.

Natuurlijk volgde ik weer: ik leek misschien de sterkste, maar zonder haar was ik nergens. Op haar studentenflat ontmoette ze Brian, een Nederlandse Arubaan. Klik. En ‘slik’. Hij maakte haar gelukkig, en nog steeds. Hij laat haar zien wat ik met eindeloze exposés niet voor elkaar kreeg: ze is geweldig! En nam haar mee naar Aruba. Om nooit meer terug te komen. Nog een paar jaar en ze woont al langer daar dan hier. In maart vlieg ik weer naar haar toe. Want ik mis haar. Nog steeds, altijd, overal …

Kazak, from Sweden

Zo’n 35 jaar geleden werd er een Berber ons huis in gedragen. Geen onwel geraakte, verdwaalde nomade uit het Atlasgebergte, maar een handgeknoopt donkerbruin kleed. Er staat me nog vaag iets van bij, dus ik zal een jaar of zes zijn geweest. Het loodzware kleed bood een vruchtbare voedingsbodem voor de vlooien van onze katten en bleek onverwoestbaar. Misschien ook omdat mijn ouders niet echt uitblinken in nijverheid: het kleed zag nooit een sopje en bleef dus lekker op kleur. En terwijl ik me met het idee verzoende dat ik diezelfde Berber ooit – ter afsluiting van mijn periode als ‘kind met ouders’ – weer uit het ouderlijk huis zou wegtorsen, surfden mijn ouders op het internet.

Het bleek tijd voor iets nieuws. Iets fleurigers. Een normaal mens plant dan wat bezoekjes aan tapijtzaken: kijk, vergelijk en voel. Mijn ouders zijn niet normaal: mijn vader gaat om vier uur ’s nachts naar bed en komt pas een uur of elf later weer boven water. Mijn moeder is een slechte slaper en werpt bij het krieken van de dag al de benen over de bedrand. Deze dagindeling staat op gespannen voet met gezamenlijke uitstapjes. Daarom het surfen: gemak dient de mens.

Tal van dure tapijtzaken in het Westen van het land passeerden de internetrevue, en van het één komt het ander: ineens zat mams in Zweden. Daar had de firma CarpetVista een Kazak in de aanbieding. En wie wil er nu géén Kazak? Ik bedoel maar! Maar Malmö zou het kleedje pas versturen als de centen binnen waren. ‘Beetje eng’, vond mijn moeder. Het was weliswaar een aanbiedinkje, maar dan nog blijkt een Kazak niet de goedkoopste allochtoon onder de kleden. Gelukkig kwam alles goed. Met een trackingnummer volgden pa en ma de reis: het kleed ging op pad, overnachtte in Herne Börnig, Westfalen en kwam precies op de afgesproken dag aan. Mijn moeder vond dat ‘voor de bejaarde mens’ toch wel een openbaring, al die digitale hulpmiddelen. De vlooienbaal uit het Atlasgebergte bedekt nu de studentikoze kamer van mijn neef; het ouderlijk huis is van boven tot onder voorzien van Kazakken: mijn ouders hebben de smaak te pakken!

Aruba: anybody home?

In de vorige eeuw emigreerde mijn zusje naar Aruba. Dat klinkt als een eeuwigheid, en zo voelt het na 17 jaar ook. Zo voelde het eigenlijk na drie dagen al, want ik ben erg verknocht aan dit exemplaar van het menselijk ras. Natuurlijk zou ze terugkomen, ik wist het zeker. Alles is daar zo anders; dat was niets voor haar. Ik likte vol vertrouwen m’n wonden en wachtte tot de remigratie een feit werd. Ik wacht nog …

Want ‘alles is anders’: dat is niets voor mij. Voor haar is het een zegening. Zij hecht niet aan haar omgeving, zij houdt niet van snel, sneller, snelst. Zij houdt van haar man (ik ook) en van manana, manana. Ze ging. En bleef.

Anderen zijn jaloers als ze horen dat ik me weer klaarmaak voor een bezoekje aan dat prachtige eiland. Ik ben jaloers op hen: zij stappen op de fiets om thee te drinken bij hun zusje. Zij spreken af voor een avondje bioscoop. Zij gaan samen uit eten. Of bellen even om de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Ik doe dat allemaal niet: fietsen is sowieso geen hobby van me, maar er ligt ook een waterweg van 8000 kilometer tussen mij en mijn doel. En bellen vergt een zorgvuldige planning: zij waakt als ik slaap. En andersom. Bellen is natuurlijk ook niet meer van deze tijd; de moderne mens skypt. En mailt. En SMSt.

De digitale wereld kent dus geen geheimen meer voor me. Meestal dan, want soms dringt de Arubaanse cultuur zelfs door tot Nederlandse bodem. Passieve stroomuitval, veroorzaakt door down time van de electriciteitscentrale op Aruba, en actieve stroomuitval, veroorzaakt door de hand van mijn zwager als er weer onweer dreigt dat vaste prik inslaat in televisies, koelkasten en computers. Preventief alle stekkers uit alle apparaten. Wég navelstreng naar m’n zusje.

We hebben net weer een periode van wéken abstinentie achter de rug: geen enkel contact, op een paar sms-jes na. Via de telefoon van mijn moeder, want tussen mijn iPhone en zusjes mobiel (die daar cellular heet) botert het niet.

Maar sinds vanmorgen is ze terug: twee mails die zomaar verzonden konden worden. En dan werkt Skype vast ook weer? Ik lig op m’n knietjes en bid …

Techniets

Ik heb een heel klein cerebraal defect en als ik niet zo genereus was om dit te pas en te onpas met de wereld te delen, zou niemand er erg in hebben.

Ik leid aan gespleten boosheid en nijd. Mensen die met mij werken, merken er niets van. De keren dat ik boos, link, nijdig of wanhopig wordt op of van opdrachtgevers zijn op één hand te tellen. Ik zou mezelf dus bijna een schouderklop geven voor ‘uitblinken in oprecht geduld, begrip en uithoudingsvermogen’. Bijna, want privé hebben we duidelijk te maken met een andere persoon. Daar gutst de irritatie met zekere regelmaat – al wordt het met het klimmen der jaren minder – toch wel over de rand van m’n theekopje heen.

Beide levens zijn gescheiden, dus niemand zou iets merken van mijn defect als mijn eerlijkheid me niet gebood om af en toe op te biechten dat er ook een andere Ingeborg bestaat. Vooral sneu voor het thuisfront. Maar mét mijn moeder zeg ik dat ik mezelf niet gemaakt heb (dat heeft zij namelijk gedaan) en dat we dus met z’n allen maar moeten berusten in de feiten.

Toch ben ik wel benieuwd naar de oorsprong van deze tweedeling in mijn brein. Ik schat dat ik nog een jaar of 40 heb om de precieze oorzaak te achterhalen. Als ik tenminste eindelijk eens stop met roken; anders moeten we er een jaar of 10 aftrekken. Een heel klein tipje van de sluier heb ik weten op te lichten: de privé boosheid wordt doorgaans opgeroepen door gebrekkige technische kennis. Een computer die vastloopt, een broodbakmachine die ik niet aan de praat krijg, een boor waar ik niet mee om kan gaan. En dan vooral het besef dat ik analytisch niet sterk genoeg ontwikkeld ben om logisch redenerend toch het ei van Columbus uit te broeden. En dan mijn man te hulp moet roepen. Ik wil graag bij Ben zijn omdat ik van hem hou, niet omdat ik hem nodig heb. Zoiets … of raaskal ik nu?

Zoals ik al zei, gutst de woede omhoog. Van broeiend stadium, guts, guts, naar ongebreidelde nijd. Een eruptie van woorden en lichamelijke reacties. Het doet me dan ook deugd dat ik niet de enige ben. En aangezien ik geen emotionele banden heb met onderstaande kat vertaal  ik de herkenning van zijn lijden naar zoet leedvermaak. Van een ander is het namelijk wél een leuk karaktertrekje.


Ook wij: bureau Halt!

Drie maanden geleden, één dag voor de Nijmeegse zomerfeesten, zijn mijn oudste zoon en jongste dochter door de politie van straat gevist. Samen met twee vrienden (ook al van die keurige jongens) hadden ze het plan opgevat de vakantie  in te luiden met flessen Passie. Dit is de goedkope (en magerder) variant van Passoa, hun budget liet de ware, sterke drank niet toe. De vier kregen een vriendelijke preek, zagen het kostbare vocht waaraan ze nog amper begonnen waren in een straatput verdwijnen en ontvingen een bon. Zestig euro per persoon. Werd het toch nog een duur flesje.

Maar Bureau Halt bracht uitkomst: draaf daar op en je mag de bekeuring verscheuren. En zo zaten we drie maanden (ja, die wachtlijsten toch …) na de overtreding met Gerdien aan tafel. Gerdien komt ‘uut de Achterhoek’, waardoor het plichtmatig samenzijn toch iets gezelligs kreeg. Vader en moeder zwijmelden weg op de afgeknepen n-en uit hun jeugd. Waarin ook drank vloeide, wij zijn geen heiligen. We lieten ons alleen niet betrappen.

Ik had dochterlief aangeraden haar ultrakorte rokjes deze keer te laten voor wat ze waren. Voor de beeldvorming. Het linkse ouderpaar behoefde geen kledingadviezen, ondanks onze politieke voorkeur kleden we ons als rechtse rakkers. Onze zoon loopt zelden in korte rokjes, dus ook die kon zichzelf blijven. Wel probeerden we krampachtig zijn korte stekeltjeshaar te voorzien van een middenscheiding, maar dat was geen haalbare kaart.

Enfin, we schoven in twee afzonderlijke sessies aan bij Gerdien. Zij leek een vurig betoog te houden ten faveure van wiet en hasj, maar de zeer zorgvuldige luisteraar begreep wel wat ze bedoelde. Alcohol – zelfs alcohol die uiteindelijk helemaal niet geconsumeerd kon worden, tenzij broer en zus hun tongen gulzig in de put hadden gedoopt – valt onder de hard drugs. Beter kies je dan voor soft drugs. Maar nóg liever voor een glaasje ranja bij moeder aan de keukentafel.

Nou heeft Gerdien natuurlijk helemaal gelijk: alcohol is niet goed, zeker niet voor het broze puberbrein. Wij sloegen dan ook nederig en berouwvol de ogen neer. Tot de alcoholheilige zich niet meer kon bedwingen. Dat ben ik. Op mijn veertiende stortte ik me op de vruchtenwijn, het moest er maar eens van komen. Al ras kwam het er ook weer uit: ik bemestte de planten van mijn ouders met een roodkleurige brei. Na deze (voorlopig) eenmalige actie dronk ik zes jaar lang verse jus. Op mijn twintigste volgde de tweede dronkenschap. Deze keer wist ik de handel binnen te houden, maar de misselijkheid beviel me geenszins. Einde oefening.

Ik ben dan ook, net als manlief, eerlijk gezegd niet echt gealarmeerd door de escapade van mijn twee nageslachtjes. Beter ten halve geëxperimenteerd, dan ten hele gedwaald.

Dat krijgen jullie nog wel, wacht maar af!

Tom, Ben, Bart, Maartje, Ingeborg, Floor (dec. 2009)Mijn lief en ik zijn nogal tevreden over onze liefdesprestaties. Gewoon doorlezen, er komt geen ranzige sexverhandeling.

Bijna 20  jaar geleden viel ik als een blok voor hem. Het linkse meisje en de rechtse rakker, een verrassende combinatie. Maar ik had het goed gezien, want al ben ik inmiddels een behoorlijk aantal kilo’s kwijt en val ik dus wat zachter: hij is het nog steeds. Helemaal! Maar als ik twee licht-bejaarde familieleden moet geloven, moet ik me zeker nog niet rijk rekenen. De ellende ligt op de loer, de klad gáát erin komen.

Nou ben ik sowieso geen voorstander van halflege glazen – mijn theekopje is bij voorkeur halfvol – maar waar moet die crisis überhaupt vandaan komen? Wij overleefden ‘het jonge gezin’ en dat was geen sinecure. Als ik de afgetobte gezichten van vriendinnen zie die na ons in de valkuil van de voortplanting trapten, komen er talloze bad memories terug. Natuurlijk zijn baby’tjes ongelooflijk lief en peutertjes ontzettend grappig en kleuters hartveroverend schattig. Maar wat word je MOE van ze! Het gáát maar door: de ene luier na de andere wordt volgepoept, de pleisters zijn niet aan te slepen, heb je net de laatste nachtvoeding erin, wordt je oudste wakker. Denk je voor iedereen een passende garderobe te hebben, schieten ze in een groeispurt: wéér de stad in. De auto en chauffeur draaien overuren om iedereen naar voetbal, paardrijden en skateboardles te rijden. Uren en uren bij de eerste hulp: eikel in het oog (hoe krijg je het voor elkaar?!), migraineaanvallen, ontstoken liesklieren, opengescheurde balzak na skateboardongelukje, gebroken been…

Maar we zijn overeind gebleven, mijn lief en ik. De vermoeidheid is nooit gebotvierd op ‘die ander’. De liefde is gebleven. Onze vier pubers draaien licht gegeneerd hun hoofd af als pa en moe wat te klef doen. Ik hoor ‘tut, tut’ als we melancholisch vertellen over onze eerste gezamenlijke aankoop (een schemerlampje dat ‘echt niet meer kan’). Ze vragen of ik papa onder druk heb gezet om ‘links’ te worden of dat hij uit eigener beweging z’n ruitjtesbroek aan de wilgen heeft gehangen (dat laatste). Maar ze zien ook dat we een team zijn, hun vader en ik én wij met z’n zessen. Wij hebben het leuk samen. En zij hebben het leuk samen: ze staan elkaar niet naar het leven, maar gaan samen op stap, hebben begrip voor elkaars eigenaardigheden, delen de enorme hoeveelheden snoep die ze naar binnen slepen, kletsen en lachen met elkaar.

En met zo’n fundament moet ik dan preventief maar vast rekening houden met barsten in de muren van ons fort? Omdat twee familieleden een minder fortuinlijke partnerkeuze en familieband beschoren was? Dat gaan we dus niet doen! Ik tel mijn zegeningen, dat wel: ik weet dat het heel anders had kunnen zijn. Maar bang zijn voor – ja, bijna rekenen op – toekomstige scheuren? Dacht het niet …

Weer dat haar…

Ik sta weer eens in dubio. Gaat dat haar eraf, of blijft het eraan? In 1995 kreeg ik ineens krullen, dankzij mijn oudste zoon. Hij belandde toen in mijn buik, zette daar de nodige hormonale veranderingen in gang en zie daar: de krul. Mijn nieuwe looks bevielen me wel, dus ik produceerde vervolgens ieder jaar een verse baby. Als die krullen maar bleven. Maar ja, je moet tóch ergens een grens trekken. Die trokken we in 1998, na kind 4. Met angst en beven – voor zover ik daar tijd voor had – wachtte ik af: wat ging mijn haar doen?

Nou, niets. De krullen bleven gewoon. En hoe langer het haar, hoe meer krul. En nu ga ik niet zitten zeiken dat ik tabak heb van die bos, absoluut niet. Maar iets meer lijn in de coupe zou prettig zijn. Hoe ik ook smeer, spuit en kneed: het is gewoon een oncontroleerbaar, pluizig geheel. Zeker nu ik met ‘halflang’ door het leven ga. Ik sta vreseloos in dubio… afknippen is toch wel een stap. Je hebt die lengte niet 1, 2, 3 weer terug. Aan de andere kant heb ik nog zo’n 40 jaar te leven, dus er is een weg terug. Ik denk dat ik het toch maar doe. Denk ik …

Dat spul van jou

Mijn schoonmoeder is zo blij met dat spul van mij. Koortsachtig bedenk ik waar ze het over heeft. Ik verzamel geen pillen die ik vervolgens grootmoedig, maar winstgevend, deel met de behoeftigen in mijn omgeving. Ik ‘doe’ ook geen drugs, afgezien van een blik schuifshag waarmee ik eigenhandig sigaretten prepareer. Daar mag schoonmama best van meepaffen, maar zij is altijd verstandig geweest. En er staat een fles Coebergh. Daar doelt ze ongetwijfeld ook niet op: ze is van de rode wijn. En zeer met mate, want ze is structureel de BOB; mijn schoonvader rijdt niet.

Ineens schiet me te binnen dat ze mijn was zo lekker vindt ruiken. Dat moet het zijn: ze is ook overgestapt op Omo klein & krachtig voor de bonte was en op Robijn stralend wit. “Nee, nee”, dat bedoelt ze niet, “dat spul….”

Mijn oudste dochter helpt de twee aan slijtage onderhevige breinen uit de brand. Zij kan nog wel alle woorden vinden en haar geheugen is uitstekend. We hebben het over Ajax allesreiniger met eucalypusdampen. Die is inderdaad heerlijk. Opgelucht storten we ons op een volgend onderwerp.

Onbewust leuk


Moppen zijn aan mij niet besteed. De verteller van de ‘vieze mop’ kan vaste prik rekenen op een wat schichtige gezichtsuitdrukking, en de plaatsvervangende schaamte doet de rest: nul reactie bij deze toehoorder. De moppen die wat meer inlevingsvermogen of iq vragen, dalen zelden in in mijn brein: ik snap ze niet.

Ik hou meer van mensen die onbedoeld grappig zijn. Zoals de buschauffeur van de tourbus die een kudde mensen door het Müllerthal vervoerde. We waren er eigenlijk te vroeg, zei hij. Een paar weken later, als de herfst echt was ingetreden, hadden we kunnen genieten van allerlei ‘kleurscharneringen’. Ik heb daar een tijd op zitten broeden. Waarschijnlijk zou onze Mari het woord schrijven met een ‘g’: kleursgarneringen. Als een garnering van het bos. Misschien was hij liever restaurateur geworden.

Die van de conciërge van de middelbare school was ook leuk. Mijn zoon moest zich bij hem melden, omdat hij een biologieles had overgeslagen. Bart legde uit dat zijn lijf van 1.80 meter toch echt in de klas had gezeten, niks geen spijbelarij. Zoonlief had zich voorbereid op een lastige discussie en wilde al van wal steken met bewijslast en getuigenverklaringen, maar dat was niet nodig. De conciërge geloofde hem; hij had tenslotte weinig op zijn kernstof tot nu toe. Dat klopt: ten tijde van Tsjernobyl was ik niet in Rusland en had ik zelfs de vader van Bart nog niet in mijn netten gestrikt. Met radioactieve kernstoffen heeft onze oudste dus niets van doen. Gaat ook niet gebeuren: Bart is een alfa-mannetje: zwak in de exacte vakken, maar scherp op taal. Hij bracht de kernstof van de conciërge grinnikend naar huis.